Punt 6
Wapen droppings - Aaltense Goor
Tijdens de oorlog was dit een drassige, onherbergzame streek die je moest kennen, en daardoor bij uitstek geschikt voor illegale opdrachten. In deze streek vonden geregeld de wapendroppings plaats. Dit terrein was zorgvuldig gekozen met behulp van verkenningsvluchten. De aanvliegroute was voor piloten geschikt. De kerktorens van Aalten, Lichtenvoorde en Varsseveld waren mooie richtpunten. Voor het slagen waren rood, wit, blauwe lichtsignalen gemonteerd in kisten. De ‘ontvangstsgroep’ diende uit 20 personen te bestaan.
Het Verzet had een groot tekort aan goede wapens. Na de oprichting van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) in 1944 om de te verwachten bevrijding van ons land te kunnen ondersteunen, nam de behoefte aan goed materiaal alleen maar toe. Al in de nacht van 28 oktober 1942 vond de eerste wapendropping in Nederland plaats. Door infiltratie van Duitse spionnen mislukten echter veel droppings. De Geallieerden staakten daarom echter alle pogingen. Door onderhandelingen en met de garantie van voldoende veiligheidsmaatregelen, kregen de afdelingen van de Nederlandse regering in Londen het voor elkaar dat de wapendroppings in 1944 opnieuw begonnen.
In oktober 1944 kondigt Radio Oranje meerdere keren de dropping in het Zwarte Veen aan. "Francisca is een mooie naam", klinkt het cryptisch uit Londen. Op de avond van 24 oktober 1944 komt de zin: ‘Wat is er met Piets broer gebeurd?" Dat is het teken om alles gereed te maken, en dat er die nacht tussen 22.00 en 24.00 uur gedropt zal worden.
De speciale leden van het verzet, de knokploeg onder leiding van Jan Ligterink, kregen opdracht om op een bepaald tijdstip op een afgesproken punt te komen.
In de stilte van de nacht worden de seinlampen geplaatst en wacht men in spanning. Een vliegtuig nadert, maakt een bocht en daalt opnieuw. Parachutes met gele en oranje ladingen vallen naar beneden. Bij de klap breken sommige containers, en wapens worden snel verzameld. Diezelfde nacht worden de materialen naar boerderij Diepenbroek in Lintelo gebracht en onder stro verstopt, terwijl de containers begraven worden.
Bij het aanbreken van de dag ontdekken de mannen, die zijn achtergebleven, op het landingsterrein nog een volle container en verspreid dynamiet, dat ook in veiligheid wordt gebracht. Er volgen nog twee droppings, op 28 oktober en 1 november 1944, waarbij verzetsgroepen uit Aalten, Lichtenvoorde, Zieuwent en Mariënvelde betrokken zijn. RAF-piloot Frank Dell, die op 20 oktober 1944 in IJzerlo is neergestort, verleent hulp. De wapens van de laatste droppings worden volgens plan met paard en wagen naar boerderijen in Zieuwent vervoerd. Tijdens een van de droppings nam Jan Ligterink zijn zoon Wim van 11 jaar mee als uitkijk. Wim herinnert zich de spanning van die nacht, terwijl vliegtuigen laag overkwamen en hij in de stilte op wacht stond. Zijn vader gaf hem de taak om te fluiten op zijn platte fluitje als waarschuwing bij gevaar. Hij wist dat er meer mensen op wacht stonden, maar toch was het voor hem een heel spannende onderneming.
Zo gebeurde het dat Hendrik van Eerden, de zoon van Jan Willem van Eerden, in opdracht met paard en volgeladen wagen op weg naar de buurtschap IJzerlo ging, om daar zijn vracht af te leveren. Op een afgesproken punt zou hij de wagen ruilen. De vracht was zwaar en het paard was nat van het zweet. Plotseling kwam er een groep Duitsers uit de bosjes en sommeerden ze hem om het paard in te leveren. Ze begonnen de wagen al los te koppelen om de wagen te kunnen kiepen. Hendrik wist dat echter te voorkomen door ze ervan te overtuigen dat het paard nat van het zweet was en dat ze er niet ver mee zouden komen. Dit ging toen maar net goed…
Johan te Lindert kreeg de opdracht om met een vracht knollen bij de Bombeeksbrug te komen. Het paard en de wagen werden meegenomen en hij heeft een tijd in een hooiberg liggen wachten. Na een poosje kreeg hij de wagen met vracht terug. Het ging allemaal voorspoedig, tot hij thuis kwam. Daar bleek een politieagent aanwezig te zijn, die zeker niets mocht weten. De wagen werd op de deel gereden en het ‘vrachtje’ werd verborgen in een schuilhol net boven een stier. Schuilplaatsen werden wel vaker gemaakt in de buurt van varkensberen, stieren, onvriendelijke geitenbokken of stotende rammen.
Het verzet in een verzamelnaam aangeduid als de ondergrondse voerden het verzet onophoudelijk en op ieder terrein! Zij stonden paraat, waar, wanneer en op welke wijze zij de gehate indringers konden treffen, Zij streden de goede strijd.
‘Ut was ne anderen tied, ut was oorlog, dan bunt de dinge anders.’